Chinees |
Op het elektriciteitskastje voor het Chinese restaurant bij mij om de hoek zit een klein Chinees jongetje.
‘Wat ga jij doen?’ vraagt hij nieuwsgierig.
‘Chips halen’, antwoord ik. Hij giechelt en vraagt waarom.
‘Omdat ik daar zin in heb’, zeg ik.
Hij giechelt nog harder en zegt dat chips anders helemaal niet goed voor me is. Wat zal hij zijn, een jaar of vier? Ik lach terug en zeg dat als je alleen maar doet wat goed voor je is, er ook niet veel aan is.
Hij besterft het. Als hij weer kan praten, stelt hij opnieuw de hamvraag: ‘Waarom?’ Ja, waarom is dat eigenlijk zo? Ik weet het ook zo gauw niet, dus dat is wat ik antwoord: dat ik alleen weet dát het zo is, en niet waarom.
Hij neemt er genoegen mee, en wil weten waar ik woon. Ik wijs mijn huis aan.
‘En jij?’
Hij wijst naar een huis aan de overkant.
‘Met die oranje deur,’ proest hij erbij.
Er zijn alleen maar bruine deuren te zien, maar ik weet wel welk huis hij bedoelt. Dat waar je ’s ochtends door de gordijnen heen schimmen van gymnastiekoefeningen kunt zien. En waar de vele personeelsleden van het Chinese restaurant allemaal wel lijken te wonen.
‘Dan zijn we overburen en moeten we ons aan elkaar voorstellen.’ Ik steek mijn hand uit en zeg wie ik ben.
Hij valt bijna op de grond van het lachen en kermt, nauwelijks verstaanbaar: ‘Waarom?’
‘Omdat buren dat doen.’
‘Waarom?’
‘Omdat dat aardig is.’
‘Waarom?’
Ik bekijk het mannetje, dat dit alles het toppunt van plezier vindt. ‘Hoe heet je nou?’ houd ik aan. ‘Ik wéét het niet’, giert hij. Ik moet ook lachen.
Ineens komt zijn moeder het restaurant uit. Streng maant ze hem naar binnen, Michael noemt ze hem. Hij kijkt naar mij, nog steeds lachend.
‘Michael, buurman, je moet naar binnen. Tot ziens dan maar,’ zeg ik, en steek plechtig mijn hand op. Ronkend van de pret laat hij zich door zijn moeder naar binnen trekken, het restaurant in.
Aan het personeel van het restaurant vergaap ik me vaak. Er is een oudere man, dun, altijd in duur pak. Sigaret nonchalant tussen duim en middelvinger. Auto pontificaal op het trottoir. Baas van de wereld.
Zijn vrouw, in de zestig. Klein en mollig, de ogen bijna helemaal gesloten.
Veel mannen en vrouwen van in de dertig. De mannen knikken stug, de vrouwen houden de blik omlaag en groeten niet. De moeder van Michael is één van hen.
Ik stel me voor hoe Michael met al zijn pret en nieuwsgierigheid als een stuiterbal door dat huis heen stuitert, door die afgewende, in zichzelf gekeerde wereld. Een beeld dat me vrolijk maakt!
En dan ga ik weer over tot dingen die niet goed voor me zijn.