Menu

Artikelen

Het hart van de dominee

Artikelen >>

Een dominee die zegt ‘God bestaat niet’ is net zoiets als een medewerker van Albert Heijn die zegt dat je in die supermarkt niet moet zijn: dat kan niet. Zegt althans Gerrit de Fijter, synodevoorzitter van de PKN in dagblad Trouw (september 2007). Hij reageert daarmee op uitspraken van de Zeeuwse predikant Klaas Hendrikse, die hij het liefst kerkordelijk zou willen aanpakken. Bij Albert Heijn zou je er tenslotte ook zo uitliggen met zo’n houding…

Dat geeft te denken. Allereerst roept het de vraag op of De Fijter wel de werkelijke boodschap van Hendrikse heeft gehoord of willen horen, want veel collega-predikanten worden niet koud of warm van de boodschap van Hendrikse. Als je een beetje hebt opgelet tijdens je opleiding ben je die discussie uitvoerig tegengekomen: Het woord ‘bestaan’ is een woord van de mensenwereld. Iets bestaat, of niet, zoals een tafel bestaat, of een huis. En als iets niet bestaat, kun je het maken. Een woord van een heel andere orde dan ‘God’ dus. Een andere vraag die de reactie van De Fijter oproept is de vraag welke ruimte er is voor de predikant wiens opvattingen (zijn gaan) afwijken van wat er in de gemeente wordt geloofd. Dat dat vaak voorkomt, bleek vorig jaar uit onderzoek van godsdienstsocioloog Hijme Stoffels: zes op de tien predikanten twijfelen aan het bestaan van God.

Weggroeien bij je gemeente, geïnspireerd raken door andere zaken en daar geen weerklank voor vinden of gaan twijfelen aan je opvattingen: Welke ruimte heb of neem je daarvoor als predikant binnen je gemeente? Frank en vrij verkondigen? Schipperen? Privé houden, of weggaan? Drie predikanten vertellen over de ruimte die zij ervaren voor hun eigen geloofsbeleving.

Een dominee is ook maar een mens en moet dat vooral laten merken, vindt Evert Jan de Wijer (43), voorganger in Zoeterwoude. Confronteren hoort daarbij, een predikant moet lastig zijn…

‘Het is niet koosjer als je op de kansel staat te veinzen. Je moet zeggen wat je gelooft en wat niet. Ik heb ontdekt dat dat zeer bevrijdend is, voor mezelf en voor mijn gemeente. Een predikant is er om de zaak op een hoger plan te brengen. Dat God geen man met een baard op een wolk is weten de meesten nu wel. Ik help mensen ook graag af van het beeld van God als kruidenier, die hier een portie geluk aflevert en daar een portie verdriet.
Wat ik zie is dat mensen een nieuwe geloofstaal nodig hebben, daar moet een predikant bij helpen. Maar laten we vooral niet doen alsof de voorganger een soort supergelovige is, die wel even vertelt hoe het zit! Ik weet het ook weleens niet, heb ook wel eens mijn twijfels over God en de zin van dit alles, dominees zijn net mensen! Geloof is volgens mij overwonnen ongeloof, iets dat je op twijfel en scepsis verovert, voor een moment. En daar bericht ik over.
Ik laat rustig merken waar ik moeite mee heb. Als iemand me vraagt waarom we nooit eens Er ruist langs de wolken zingen, antwoord ik dat ik daar misselijk van word. De weerstanden die ik zelf heb, leven ongetwijfeld ook bij de mensen in de kerkbanken. Een preek hoeft niet altijd mooi rond te zijn. Eindig maar eens met een kras, laat het maar eens een hoekig verhaal zijn, dat is prima. Als je jezelf voortijdig censureert, krijg je van die doodgeslagen verhalen waar iedereen bij in slaap valt. “Het zal Jezus wel weer zijn”, kun je ze dan horen denken, en de organist weet precies wanneer hij weer naar het orgel moet. De gemeente kan heus wel wat hebben, je moet de mensen niet ontzien. Als ik op de zaken op scherp stel, moeten mensen zelf gaan denken. Wat gebeurt hier? Wat vind ik daarvan? Dat is waar het om gaat.
Als ik alleen sta met mijn verhaal, geen gelijkgestemdheid ontmoet, heb ik daar geen last van. Dat ligt niet in mijn aard, ik ben vrij eigenwijs.
Zo’n reactie vanuit de PKN stemt me niet gelukkig. Ik vind het benepen en burgerlijk. Om de kerk met Albert Heijn te vergelijken… En dan God op de schappen zeker? Ik vind het spijtig dat De Fijter niet zo’n beetje voelt wat Hendrikse wil zeggen. Het zegt ook beslist iets over de ontwikkelingen binnen de PKN. Geloof en moderniteit gaan samen, maar dat geluid is jammer genoeg totaal afwezig binnen de PKN. Je moet de theologie betrekken op de vragen van vandaag. Is mijn leven zinvol, gedragen? Rondom die vragen ontrolt zich het verhaal, tussen mij en de gemeente. En soms vinden we iets dat troost en houdbaar is, voor even. Morgen kan het weer anders zijn, gewoon, omdat het zo gaat.’

Klaas IJkema (47) is sinds kort geen predikant meer, hij kon zich niet meer vinden in de traditionele manier waarop de kerk vormgeeft aan de christelijke religie. 

‘Ik had altijd al meer affiniteit met wat er aan de rand van de kerk gebeurde. Daar kom je de geloofsworstelingen tegen, de echte vragen. In het midden ligt alles zo vast. Ik was eigenlijk steeds minder trots op de kerk en voelde steeds meer vervreemding. Ik voelde me gewoon staan op de zondagen, ik stond daar een traditie in stand te houden die ik zo graag wilde veranderen, maar ik wist niet hoe.
De kerkgemeenschap heeft iets in zichzelf gekeerds en mist daardoor de hele aansluiting met wat er buiten de kerkmuren gebeurt. Voor mij is de christelijke religie in essentie juist tegendraads, uit de oude kaders breken, leven in vrijheid, maar altijd op het grensvlak met de samenleving. Ik organiseerde bijvoorbeeld diensten en bijeenkomsten rondom duurzaamheid en rentmeesterschap. Ik had daarin wel een paar medestanders, maar het voelde niet alsof de kerkenraad achter ons stond, het bleef hobbyisme van een paar mensen.
Mijn ideaal was om de kerk een plek te laten zijn waar mensen niet zozeer samen vinden, maar zoeken. En dat is me niet gelukt. Ik probeerde dingen als andere liederen en teksten uit andere tradities, maar vond geen weerklank. En ik schreef een keer een stuk in het kerkblad waarin ik filosofeerde over “God is een woord voor…”. Dat ligt niet vast, was de strekking van het verhaal. Er was meteen onrust, er kwamen gemeenteavonden, mensen zegden hun lidmaatschap op…. Je laat je in je hart kijken en krijgt gedoe. Aan de andere kant gebéurde er tenminste wel iets. Mensen moeten bij zichzelf te rade gaan als je zekerheden loslaat. Maar dit kun je niet de hele tijd doen, in een kerk moet niet alleen onrust zijn maar ook stabiliteit.
Ik had een stel getrouwd, heel leuke mensen, echte zoekenden. Zij vonden de kerk niet de plek om zich spiritueel te ontwikkelen, hadden last van het burgerlijke en het statische. De vrouw van dat stel had een eigen communicatiebureau en nodigde me wel eens uit om bij hen thuis langs te komen. Ik had zó’n last van wat ik als predikant vertegenwoordigde dat ik dat altijd uit de weg ben gegaan. Zij hield mij een spiegel voor en ik kon die confrontatie gewoonweg niet aan: in het gewone leven draait het om communicatie en in de kerk niet.
De reactie van De Fijter op Hendrikse bevestigt mij daarin. Is er eens iemand die een persoonlijk, dwars geluid laat horen, moet dat meteen weer geëlimineerd worden. Het tegenovergestelde van ideaal leiderschap, wat mij betreft. De communicatie vanuit de top van de PKN gooit de boel direct op slot.
Ik werk nu bij een organisatie die bezinning en bezieling binnen organisaties wil terugbrengen. Zielzorg in het bedrijfsleven, eigenlijk. Ik blijf trouw aan mijn roeping maar doe dat in een nieuw kader.
Ik geloof dat als mensen elkaar echt ontmoeten, dat er dan sprake kan zijn van God, geest, inspiratie. Op die momenten is er iets overstijgends, toont de eenheid zich. Het ligt niet vast, het gebeurt of het gebeurt niet. Als er een God is, dan laat die zich daar ervaren, in ontmoetingen.’
 
Susan Karreman (50) is predikante in Rijswijk (ZH) en ziet het als haar kerntaak om mensen te inspireren. Dat betekent soms dat zij haar eigen opvatting achterhoudt, soms juist niet.

‘Ik wil de mensen in de kerk iets aanreiken en doe dat op een manier die bij mij past. Ik ben nou eenmaal geen confronterende persoonlijkheid. Confronteren is maar één manier om mensen verder te brengen, ik prefereer zachtere methodes. Ik zeg geen dingen die ik niet vind, maar ik zeg niet alles wat ik vind. In mijn preken leg ik teksten uit zoals ze mij raken omdat ik denk dat je alleen zó anderen kunt inspireren: door vanuit je eigen hart te spreken Vaak kom ik dan tot een heel andere uitleg dan de traditionele. Ik laat me hierbij inspireren door de Joodse traditie, waar het heel gewoon is om vele uitleggen naast elkaar te hebben.
Een voorbeeld van waar ik voorzichtig mee ben is dat ik geloof dat mensen innerlijk verder kunnen groeien na hun dood. Het is maar de vraag of iemand daar iets mee kan, en in mijn werk gaat het er niet om dat ik me ongelimiteerd kan uiten, het gaat om de ander.
In persoonlijke gesprekken stem ik daarom af op het moment en de situatie. Ik praat veel met oudere mensen die merken dat ze niet meer kunnen leven met wat ze geleerd hebben, dat God ons alles doet toekomen vanuit zijn vaderlijke hand bijvoorbeeld. Of ze hebben kinderen die niet meer geloven en willen weten of die echt verloren zijn. Dat loslaten van zekerheden op die leeftijd kan me erg ontroeren en met hen ga ik graag een open gesprek aan. Maar ik ben ook bij ernstig zieke mensen die dingen zeggen als “Het zijn geen mensen die het me aandoen”. Zo van “het komt van God dus dan is het minder erg”. Dat beleef ik zelf anders maar ik zeg daar dan niets van. Wie ben ik om dat omver te gooien? Ik hoor er een dieper verlangen naar rust en vertrouwen in, en dat ontroert me net zo als die oude mensen die nog wél alles op de helling durven zetten.
Ik leid oecumenische meditatiegroepen waar heel veel belangstelling voor is en ik ben nu aan het kijken hoe ik elementen daaruit kan inbrengen in de gewone diensten, want dat vaste stramien hoeft van mij niet zo. Meer stilte en symboliek in plaats van die overvloed aan woorden, ik ben daar nog in aan het zoeken.
We zitten in een overgangstijd. Mensen zijn op zoek naar eigentijdse vormen van spiritualiteit en geloof. Hoe het instituut kerk zich verder ontwikkelt, maakt me eigenlijk helemaal niet uit. Ik heb niets met instituten. Er is een grote beweging gaande terug naar de kern, dat wat er niet meer bij hoort, brokkelt af. Ik zie daar het werk van de Geest in. Zoals Prediker het zegt: er is een tijd om op te bouwen en een tijd om af te breken. De kerk op de kaart houden, nee, dat is mijn uitgangspunt niet, het gaat mij om de mensen erin. Ik vergelijk mijn werk wel eens met dat van een vroedvrouw. Ik mag, in alle bescheidenheid, helpen om bij mensen een authentieke vorm van geloven geboren te laten worden. Daar is voorzichtigheid bij nodig, zodat er niets kapot gaat.’

(Geschreven voor VolZin)

Back