Nonnen |
Vanaf het moment dat één van de nonnen de poort voor ons opent, voel ik me alsof ik in een film beland ben.
Met twee vriendinnen woon ik een dienst bij in het Clarissenklooster in Megen, een stadje aan de Maas in Brabant.
De zusters leven in stilte, behalve op zondagochtend, als hun diensten voor iedereen toegankelijk zijn.
In de kapel kijk ik mijn ogen uit.
Er zijn niet eens zo heel veel nonnen, maar al met al meer dan ik er ooit bij elkaar gezien heb. In het koor, in de banken naast ons, en links bovenin zie ik er nog één, achter het orgel.
De meesten zijn in de zestig of ouder, maar er zijn er ook twee van mijn leeftijd.
Ik kan het niet helpen dat ik steeds naar hen moet kijken. De ene heeft iets van een boerendochter, blozend en verweerd. De ander is mooi. Zij heeft blote voeten in zwarte sportsandalen. Haar collegazusters hebben hun voeten warmer aangekleed.
Ik stel me voor hoe het is om de wereld gedag te zeggen en je te wijden aan God, stilte en soberheid.
Ik snap de aantrekkingskracht ervan. En tegelijkertijd benauwt het me.
De liederen zijn prachtig. Meerstemmig, en melodieuzer en lichter dan in de kerk.
De priester preekt over vrolijke wijsheid. Kniezen heeft geen zin, leven moeten we, met alles wat daarbij hoort.
Daarna gaat het nog bijna mis bij de heilige communie.
Ik blijf wel zitten, denk ik, maar als de derde zuster me aanspoort om ook vooraan in de cirkel te komen staan, sta ik toch maar op. Mijn plan, afkijken bij de anderen, valt in het water, doordat de priester met de hosties meteen in een rechte lijn op mij af loopt. Ik steek een vuist uit in plaats van dat ik een kommetje met mijn handen maak, zeg ‘dank u wel’ waar ik eigenlijk ‘amen’ moet zeggen, en dan wil ik drinken uit de beker terwijl het de bedoeling is dat ik de hostie erin doop. Naast me staat een zuster die me steeds fluisterend corrigeert, zodat het toch nog goed gaat.
Ook zonder dat ik naar mijn vriendinnen kijk, weet ik dat die naar me staan te grijnzen.
Na afloop is er koffie en thee en koek. Ik zeg een zuster dat ik vind dat ze zo mooi zingen. Daar hebben ze hard aan gewerkt, vertelt ze. Nadat een paar zusters overleden waren, klonk het niet meer en hebben ze een zangpedagoog ingehuurd. Eens in de zoveel tijd nemen ze een ander, om zeker te weten dat ze steeds weer wat nieuws leren.
Als ik vraag hoe ze heet, fluistert ze me met twinkelende ogen haar naam toe, alsof ze me een ondeugend geheim vertelt: ‘Zuster Agatha’.
We worden hartelijk uitgezwaaid als we vertrekken.
We steken de Maas over en zoeken een café.
Tijd voor aardsere zaken.
(Een oudje, gepubliceerd in het Rotterdams Dagblad)