Oorlogen zijn niet clean |
Oktober 2001. Amerika bombardeert Afghanistan. Hayde Zarkeshan stopt met haar studie, leent geld voor een camera en vertrekt. Ze vertelt de vertegenwoordigers van het Talibanregime dat ze een bekende journaliste is en bluft zich zo het geteisterde land in. Terug in Nederland verkoopt ze haar opnames aan het Nederlandse en Vlaamse journaal en met het geld dat ze daarmee verdient, richt de 26-jarige Zarkeshan een stichting op voor Afghaanse vrouwen en kinderen.
‘De berichtgeving over de oorlog, daar ergerde ik me aan. Dat het zou gaan om precisiebombardementen, waarbij geen onnodige burgerslachtoffers vielen. Dat klopt gewoon niet, en dat wilde ik laten zien. Oorlogen zíjn niet clean, er vallen altijd doden en gewonden onder onschuldige mensen. En de ravage die ontstaat, door bijvoorbeeld het wegvallen van elektriciteit of het vernietigen van infrastructuur verdwijnt, kan ook levensbedreigend zijn. Dus daar liep ik, net uit het rijke en rustige Nederland, temidden van de rokende puinhopen. De eerste uren kon ik alleen maar huilen. Kampen met duizenden mensen, die totaal niet begrepen wat er gebeurde, ze wisten niet eens wie of wat Amerikanen waren. En vooral het lot van de kinderen trok ik me aan.’
‘Ik ben op mijn dertiende met mijn ouders vanuit Iran naar Nederland gevlucht. De oorlog tussen Iran en Irak heb ik bewust meegemaakt, en wat ik me daar vooral van herinner, is hoe bang ik was. Hoeveel vragen ik had. Ik begreep niets van wat er gaande was, en mijn ouders en andere volwassenen hadden het te druk met overleven om aandacht voor me te hebben. Dat zag ik in Afghanistan ook. Ik wilde die kinderen troosten, met ze tekenen en kroelen, bij wijze van spreken. Met mijn camera trok ik het land door en als ik na een paar weken terugkeerde op een plek waar ik eerder was geweest, zag ik dat mensen, kinderen, met wie ik een band had gekregen, waren gestorven. Toen ik terug was in Nederland, besloot ik dat meer wilde doen voor de mensen daar.’
‘Vóór ik naar Afghanistan vertrok, had ik pogingen gedaan om afspraken te maken met het NOS-journaal, maar dat liep op niets uit. Omdat ik geen enkele ervaring had, natuurlijk. Daarnaast moeten ze een heel dure verzekering voor je afsluiten, no way dat ze dat overwogen voor een onbekend, onervaren iemand. Eenmaal terug in Nederland belde ik ze net zo vaak tot ze mijn materiaal wilden bekijken. “Ja, ja,” hoorde ik ze denken, maar toen ze de beelden zagen, wilden ze het graag kopen. Met dat geld ben ik vervolgens teruggegaan naar Afghanistan.’
‘Ik heb een stichting opgericht, Education for the Young. Ik zag dat de grotere hulporganisaties bureaucratisch waren. Veel geld verdwijnt gewoon in het reilen en zeilen van die organisaties, dat vond ik zonde. Ik heb dan wel minder geld, maar het gaat wel helemaal naar de mensen die het nodig hebben. Ik richt me vooral op vrouwen en kinderen. Ik help bij het bouwen van scholen en het inrichten van werkplaatsen voor weduwen met kinderen. De vrouwen maken daar bijvoorbeeld tapijten, die ze kunnen verkopen. Blijvende hulp dus.’
‘Steeds als ik voldoende geld heb verzameld, ga ik weer naar Afghanistan, en als ik dan weer terug ben in Nederland, heb ik het wel even moeilijk. Dan stoort het materialistische me. En al het geklaag. Over een trein met vertraging, bijvoorbeeld. Wees blij dat er treinen rijden, denk ik dan. Na een paar dagen kan ik ook dat wel weer relativeren hoor, hier leven we gewoon anders. En als ik dan thuis op mijn bank het comfortabel zit te hebben, weet ik dat mijn Afghaanse kindjes ook met volle buik naar bed gaan, en dan ben ik gelukkig.’
‘Afghanistan en Nederland kunnen veel van elkaar leren. Als hier een oude vrouw met zware tassen over straat sjouwt, helpen we pas als ze op haar hoofd valt. In Afghanistan zijn mensen veel behulpzamer, het saamhorigheidsgevoel is er veel groter. In Nederland zijn we weer sterker in verdraagzaamheid. Dat zou ik de Afghanen wel willen bijbrengen, dat je niet hetzelfde hoeft te zijn om elkaar te respecteren.’
‘Mijn toekomst ligt in Nederland, absoluut. Vanuit hier kan ik veel meer betekenen voor Afghanistan. Mijn wens is om beide landen van elkaar te laten profiteren. Als ik zie hoe hard het daar waait, in de woestijn, je kunt daar zoveel doen met windenergie, dat soort dingen. Ik wil een soort tolk zijn, niet alleen qua taal, maar qua alles. Ja, dat is wat ik wil.’