Pleisters en liefkozingen |
‘Ik ben pleisterig!’ deelt Amal (2 jaar) me verhit mee als ze binnenkomt. Ze steekt een wijsvinger uit waar een beduimelde pleister om zit.
Zien hoe peuters zich de taal eigen maken – ik vind het geweldig.
Ergens heeft ze al de notie dat als je –ig achter een woord zet, het iets zegt over iets over of iemand. Pleisterig, maakt ze er dus maar van. En dat is eigenlijk behoorlijk doeltreffend omschreven voor een tweejarige.
En dan Yasemin (3 jaar). ‘Help je mee opruimen?’ vraag ik als iedereen al zingend de zaal opruimt behalve zij. ‘Okee’, zegt ze cool, en ze zet zich alsnog aan de taak. Okee? Okee? Ik moet lachen omdat ze zo streetwise klinkt, terwijl ze soms nog scenes maakt als haar troostdoekje buiten bereik is. Amal ruimt trouwens niet mee op, deelt ze mee, want ‘ze heeft geen rotzooi gemaakt’. En zo geven ze je en passant ook nog even een inkijkje over hoe het er bij hun thuis aan toe gaat. Net als Harrish (ook 3). Als we naast elkaar zitten te kleien en ik naar hem kijk, beantwoordt hij dat met getuite lipjes, klaar om te zoenen. Ik buig mijn wang naar hem toe en krijg een zoen. Als ik hem daarna opnieuw aankijk, vraagt hij ernstig, met opgetrokken wenkbrauwen: ‘Lekker?’
Ik moet lachen en vertel dat het lekker was ja. En zie voor me hoe hij thuis met grote ogen en oren naar papa en mama kijkt om hun liefkozingen bij ons te kopiëren.
Nog even terug naar Amal met haar pleister. Ik weet natuurlijk wat me te doen staat in zo’n geval: ik bewonder de pleisterigheid uitvoerig. Op de vraag waarom ze een pleister heeft krijg ik een ingewikkeld verhaal waaruit ik opmaak dat ze een splinter had. Dan pakt ze mijn wangen vast. ‘Jij bent mijn lieve schatje van me’, slist ze in mijn gezicht.