Zakkenroller |
In de treincoupé hangt die matte, einde-van-de-werkdagsfeer.
Den Haag Centraal Station, een kopstation, ideaal voor zakkenrollers, want voor een trein vertrekt, staat hij hier altijd lang stil. Ze stappen in, roven hier en daar op hun gemak, en tegen de tijd dat jij merkt dat je je geld kwijt bent, zijn zij ‘m allang gesmeerd.
Ik kijk uit het raam. In de weerspiegeling van het tl-licht kan ik zien wat er binnen in de coupé gebeurt.
Twee mannen stappen in. Eén lange, goed gekleed, zwart haar. Duur horloge aan de ene pols, jas gevouwen over de andere. Zijn metgezel is een schlemielerig type, grauw en spichtig. De muis gaat links van het gangpad zitten, de andere neemt rechts een bank.
Hij hangt zijn jas aan het haakje boven de bank.
Spiedend kijkt hij om zich heen, terwijl hij wat rommelt in de binnenzak van zijn jas.
Dan zie ik dat hij oversteekt, als het ware, met zijn hand. Naar de jas naast de zijne, die behoort aan de man die in het volgende bankje zit. Die zit met zijn rug naar de jas, leest de krant en heeft niets door.
‘Hee!’ roep ik hard door de stille coupé.
Iedereen kijkt me aan, ook de zakkenroller, die gewoon doorgaat met waar hij mee bezig is. Dat verrast me zó, dat ik even aan mezelf twijfel. Maar dan sta ik op en roep ik dat hij op moet houden.
De man die gerold wordt, kijkt me glazig aan en leest dan verder. Ik moet stampvoeten en hem direct aanspreken (‘u, met die groene trui, ja ú, uw portemonnéé wordt gejat') voor hij eindelijk omkijkt naar de zakkenroller. Die is meteen een en al kabaal, roepend dat hij niets doet. Ik weet niet wat me bezielt, maar ik stamp eropaf en brul dat hij anders precies weet waar ik het over heb en dat hij nú die portemonnee terug moet geven.
De muis bemoeit zich er nu ook mee. ‘Hij doet niks hoor, hij doet helemaal niks’, piept hij lafhartig. ‘En jij houdt je mond, want jij hoort erbij,’ snauw ik hem toe.
Weer oog in oog met de zakkenroller, in de nog steeds stille coupé. Dan gooit hij met een achteloos gebaar de portemonnee naar de eigenaar, pakt zijn jas van het haakje en vertrekt. Hij loopt langs me, sist dat ik een hoer ben en dat hij me wel pakt als ik de trein uit kom. De schlemiel volgt hem en kijkt me scheef aan, maar zegt niks.
Ik tril als ik weer ga zitten. De man met de krant knikt ongemakkelijk naar me, houdt zijn portemonnee op schoot en leest weer door. De andere passagiers zeggen geen woord, niemand kijkt me aan.
Als de trein eindelijk naar Rotterdam vertrekt, zucht ik.
Het is weer een rare dag.